Desanne van Brederode 5
Zo nu en dan, als de sterren juist staan, sta ik op zondagochtend wel eens vroeg genoeg op om de salonintellectueel uit te hangen en eerst naar Boeken en dan naar Buitenhof te kijken. Soms komp het zelfs voor dat ik een staartje van het piep- en ploinkprogramma Vrije Geluiden meepik, waarvan ik de presentator het een keer heb zien klaarspelen om het niet ondeskundige rockgroepje Hospital Bombers naar hun instrumenten te sturen met de vraag 'welke compositie' ze van plan waren te spelen. Maar dat terzijde.

Als Buitenhof om vijf voor twaalf wordt aangekondigd, hoop ik altijd dat de columnist van dienst Désanne van Brederode is. Niet om te genieten van haar 'zorgvuldig geformuleerde' en 'mooi met taal werkende' zinnen (zoals het op deze plek ooit eens werd verwoord), maar juist omdat ik mij dan lekker in ouderwetse ergernis kan wentelen.

Désanne van Brederode. Wie met zo'n naam op de wereld wordt gezet is gedoemd om een leven lang, hunkerend naar hoofse liefde, geen spiegel voorbij te gaan zonder even een blik op zichzelf te richten. Je ziet het al hoe ze naast het katheder van Buitenhof staat. Daar staat een meisje dat lang vervlogen normen en waarden in ere houdt, een meisje met verheven idealen die de waan van de dag mijlenver weten te ontstijgen, een meisje dat weet hoe ze zich moet kleden, en dat er voor kan zorgen dat de wereld een heel klein beetje liever zou worden als zij eindelijk baas zou zijn van het journaal.

Desanne van Brederode 1

"HUUHMUGHUGHUGHE HUGHUGH SNRFUGHU AAUUJRCHUG (etc.)." Hoewel de column van Désanne van Brederode tijdens haar eerste proefuitzending voor Buitenhof dankzij een vijf minuten aanhoudende hoestbui totaal onverstaanbaar is, wordt zij toch aangenomen, volgens hardnekkige geruchten uit de wandelgangen omdat Peter van Ingen haar "zo'n onnavolgbaar lekker wijf" vond.

Het eerste wat mijn ergenisalarm altijd hevig doet loeien, is haar trommelvliezen teisterende stemgeluid. Ze klinkt als Femke Halsema die met zo'n Calimero-stemmetje een klein meisje nadoet. Vrouwen van rond de dertig praten wel eens op die wijze met elkaar als ze aan de rest van het café willen laten zien dat ze goeie vriendinnen zijn. Désanne van Brederode klinkt altijd zo. Bovendien lijkt ze elk moment op het punt aan te belanden dat ze breekt en in huilen uitbarst. Daar kan zij niks aan doen, hoor ik u zeggen, en dat kan wel zijn, maar wat ik de avond ervoor ook gegeten heb, het heeft altijd een desastreuse werking op mijn maaginhoud. Het duurt nooit lang voordat de eerste oprispingen zich aanmelden. En dat mag ik haar misschien wel niet kwalijk nemen, ik merk altijd dat ik dat wel doe. Praat eens normaal, hoor ik mezelf dan naar het TV-scherm schreeuwen. Maar ze gaat gewoon door.

En waar ze mee doorgaat, is het verkondigen van haar mening. En die mening, waar die ook over handelt, is altijd even correct, even saai, even braaf, bevat altijd dezelfde zweem van doordachtzaamheid, dezelfde zelfgenoegzaamheid, en (en dat is nog het ergste) hetzelfde dédain jegens mensen die wat minder verheven denken dan zij. Maar als je door al die schone schijn heen weet te prikken (en dat is meestal niet zo moeilijk), slaat het meestal nergens op.

Zo sprak ze een paar maanden geleden over haar bezoek aan Wenen tijdens de Kerstvakantie. Zij belandde toen, terwijl zij rustig met haar gezin aan de hotelbar zat, tussen een troep bejaarde Nederlandse hotelgasten, die net terugkwamen van een of andere Strauss-uitvoering. Ik citeer even: "Na afloop van het concert, aan de hotelbar, gedroegen ze zich als brallende pubers. 'Die wijn is troep! Hoho, niet voordringen! Ik zeg: in Holland had ik mijn pilsje allang gehad! Maar dat versta jij zogenaamd niet, hè?'" Speciaal voor de gelegenheid declammeerde ze de citaten van de bejaarde hotelgasten met een Amsterdams accent, dat ze uiteraard geenszins beheerste, omdat het een net meisje is.

Desanne van Brederode 2

"KRIJG TOCH ALLEMAAL MIJN KLEREN, VAL WAT MIJ BETREFT IN DE GOOT." In de nooit uitgezonden Sterrenplaybackshow van 2006, zet Désanne van Brederode een verbijsterend slechte Ciske de Rat neer. "Je klinkt als een astmatische zeehond", zou oerjurylid Jacques d'Ancona gezegd hebben. In haar Buitenhof-column over hedendaagse straatkinderen, doet ze het allemaal nog eens dunnetjes over.

Haar geliefde Wenen bleek tot een commerciële kermis verworden waar brallende Hollandse bejaarden de dienst uitmaakten. Gelukkig nam ze de volgende dag de streekbus naar Beethovens werkadressen: "Het viel op dat de weinige Beethovenliefhebbers, Russisch, Japans, Frans, Amerikaans of Italiaans, niet haastig, geërgerd en kwebbelziek langs de gedenktekens marcheerden, de camera in de aanslag: ze namen voor elk detail de tijd." Geen Hollander te bekennen, kortom. Om het te verpesten voor de rest.

Hierover nadenkend komt vrouwe Van Brederode tot een verbluffende ontdekking: "Identiteit heeft niets met Blut und Boden te maken, of, wat netter, met je wieg en wortels, maar alles met je lievelingsmuziek." En dan krijgt ze een idee: "Misschien kunnen we nieuwe landen maken, een land voor Mozartfans, voor Bachadepten, een land voor Beethovenvereerders. Vrij internationaal verkeer gegarandeerd, maar je weet: bij een bezoek aan Straussland de oordopjes mee, niet om de Nieuwjaarswalsjes te vermijden, maar om overeind te blijven tussen de agressief luidruchtige bewoners."

Een weinig subtiel weet ze vervolgens een verband te trekken tussen Jörg Haider-aanhangers en Strauss-liefhebbers, tussen brallende bejaarde Hollanders en xenofobie. Waarna ze in één moeite door beweert dat het wel meevalt met de xenofobie van de luidruchtigen zolang ze hun muziek maar van over de grens halen. Alsof het bloed en de bodem van Strauss zo heel erg ver afstaan van de Hollandse klei waaruit Fransje Bauer is getrokken.

Desanne van Brederode 3

Désanne van Brederode, poserend voor de windmachine van
'uithuilvriend' Hans Klok.

Ik bedoel, het slaat nergens op. En het maakt bovendien duidelijk in wat voor wereld Désanne van Brederode leeft. In een wereld waarin luidruchtige Hollandse bejaarden die je kerstrust komen verstoren je grootste nachtmerrie vormen. In een wereld waarin xenofobie niets meer is dan een oprisping waarover je je geen enkele zorgen hoeft te maken zolang mensen naar buitenlandse componisten luisteren. En in een wereld waarin er geen andere muziek bestaat dan klassieke muziek. Dat er mensen bestaan die graag de polonaise doen op de wanstaltige walsjes van Johan Strauss luisteren, valt te overzien. Zolang je je oordopjes maar bij je hebt en je je kunt terugtrekken naar Beethovenland, waar iedereen "het hele jaar aandachtig naar muzikaal vuurwerk luistert, zonder er hard doorheen te klappen." Maar ik dan? Naar welk land zal ik moeten worden gedeporteerd? Afgelopen vrijdag heb ik nog uitbundig staan meeschreeuwen met en bier gegooid naar de Claw Boys Claw. Ik vrees dat ons Buitenhofprinsesje het niet had overleeft. Eeuwig op de vlucht voor de klassiekfundamentalisten zal mijn lot vermoedelijk zijn, opgejaagd door de vazallen van Désanne van Brederode, tot ik mij voorgoed onvindbaar maak in een grot in Tora Bora.