Du Levande - You, the Living
Momenteel draait in de Nederlandse bioscoopzalen onder de Engelse titel ‘You, the Living’ de film Du Levande, van de Zweedse regisseur Roy Andersson. In onze vaderlandse pers is deze film (zie hier de trailer) met gejuich ende klaroengeschetter ontvangen. En hoewel Du Levande een paar zeer fraaie momenten kent, durf ik hier toch wel met volle overtuiging te beweren dat het enthousiasme van de usual suspects enigszins ten onrechte is. Het kijken naar Du Levande is geenszins een marteling van twee uur te noemen, alleen, de lof die het nu alom krijgt toegezwaaid, verdient enige relativering.

De gemoedstoestand waarmee ik na vertoning van de film op het IFFR (nu bijna twee maanden geleden) de Rotterdamse nacht betrad, was een zeurend gevoel van onbehagen. Niet het soort onbehagen dat je hebt na het zien van een film van David Lynch, en ook niet het soort existentiële onbehagen waarmee Bob den Uyl zijn onweerstaanbare verhalen heeft gevuld, maar meer het soort ongehagen dat je hebt wanneer je de hele nacht wakker wordt gehouden door een mug die zich, met tussenposen van een klein kwartier, telkens weer herinnert dat hij zijn zinnen heeft gezet op het bloed in je oorschelp.

Mijn irritatie zat ‘m voornamelijk in de gratuite aard van Anderssons absurdisme, die zo consistent doorgevoerd wordt, dat je het gevoel krijgt naar iets te kijken wat wel degelijk enige betekenis heeft, maar dat uiteindelijk niet heeft. Andersson doet alsof hij iets belangrijks te vertellen heeft over de condition humaine door een reeks trage, melancholisch getinte sketches over zijn publiek uit te storten, die aaneen hangen van het menselijk tekort in het algemeen en miscommunicatie in het bijzonder. Maar eigenlijk vertelt hij niet zoveel meer dan dat wij, de levenden, gedoemd zijn te mislukken en dat wij desondanks moeten blijven proberen er het beste van te maken. Op zich een prima boodschap, maar doordat het in zo'n strak concept gegoten is, raakte ik tijdens het kijken niet zozeer in de bedoelde melancholische stemming, maar in een melige. En dat kan nooit de bedoeling zijn geweest.

Du levande - you the living - trombone

Vanaf de tijd dat hij commercials maakte, filmt Andersson eigenlijk uitsluitend in scènes die uit één statisch shot bestaan, en die het van een perfecte timing moeten hebben. Mensen die willen laten merken dat ze niet van de straat zijn, noemen zo'n uit één camerastandpunt geregistreerd tafereetje een tableau vivant. (Merk op dat ik, door enigszins denigrerend te spreken over ‘mensen die willen laten merken dat ze niet van de straat zijn’, een excuus verzon om ongestraft het woord tableau vivant te kunnen gebruiken, waarmee ik op mijn beurt laat merken niet van de straat te zijn.) Zie bijvoorbeeld de still bovenaan deze pagina uit een scène waarin een oud mannetje tergend traag achter zijn rollator het beeld in komt lopen en blijft doorlopen totdat blijkt dat hij een in zijn lijn verstrikte teckel achter zich meesleept. Als afzonderlijk filmpje kan dat best grappig zijn, maar als onderdeel van een twee uur durende reeks meer en minder geslaagde grol du jours kon het me maar matig boeien.

Zo nu en dan toont Du Levande een tafereeltje dat wel het onthouden waard is. De scène waarin een plaatselijke, uit werklozen en gepensioneerden bestaande fanfare in een leegstaand flatgebouw oefent terwijl buiten het noodweer losbarst, wist mij werkelijk te betoveren. Maar dat kan ook komen doordat ik heel erg van zich traag voortslepende fanfaremuziek houdt. En het eindshot, waarin zich langzaam een deken van B52’s over het niet bestaande postsocialistische stadje ontvouwt, kon tellen qua eindshot. Maar dat was het wel zo’n beetje. Of nee, wat ook wel aardig was, was een scène waarin een man tijdens een mislukt familiediner de sfeer een beetje wil opkrikken door de truc met het tafellaken uit te voeren, maar doordat de tafel een kleine acht meter lang is, flikkert het eeuwenoude familieservies met al het kabaal van dien te pletter. Als gevolg daarvan wordt de veroorzaker van dit famlieleed ter dood veroordeeld door rechters die halverwege het vonnis een goed glas bier vanonder hun toga vandaan halen.

Du levande - you the living - huilende schooljuf

Dat goede glas bier van die rechters verpestte het voor mij vervolgens, want daardoor werd ik er weer op geattendeerd dat Du Levande opgezet was als een serie achter elkaar gezette dromen van een hoopje mistroostige en wanhopige mensen. Net terwijl de scène iets gezelligs kafkaiaans begon te krijgen, moesten die rechters zonodig bier gaan drinken tijdens de rechtzitting. Waarmee ik op mijn zoveelste punt van kritiek kom: het op een misverstand rustende idee dat dromen interessant zijn. Je eigen dromen zijn dat misschien, andermans dromen zelden. Hoe mooi ze ook in beeld zijn gebracht. Tenzij dromen een functie hebben in je verhaal, moet je ze niet verfilmen. Dat je hele verhaal uit een reeks dromen bestaat, noem ik geen excuus.

Terwijl ik afgelopen zondag over de saaiheid van dromen mijmerde, plopte ineens, als een soort pop-up in mijn gedachten, de film Living in Oblivion naar boven. Daarin probeert een door Steve Buscemi gespeelde wanhopige regisseur een tot mislukking gedoemde film te maken. In die film zit een droomscène waarin een dwerg figureert. Op een gegeven moment heeft die dwerg er genoeg van en valt hij uit tegen de regisseur: “Waarom, als er een droom gefilmd wordt, moet er altijd een dwerg in voorkomen? Niemand droomt ooit over dwergen. Zelfs ík droom nooit over dwergen.”