A.F.Th.

Met zijn petekind voor zijn borst loopt Arnon Grunberg in beheerste tred op A.F.Th. van der Heijden af. “A.F.Th.”, zegt Grunberg op die zo kenmerkend timide, ja bijna fluisterende toon. A.F.Th. kijkt verbaasd om. Als een leeuw die, op weg naar een schaduwrijk plekje onder een boom om een welverdiend tukkie te doen, even uit zijn concentratie wordt gehaald door het geritsel van een antilope in het struikgewas. Wanneer hij ziet dat het zijn gezworen vijand is die hem zijn schrijversnaam toelispelt, loopt hij verder. De leeuw acht de antilope te mager. Of heeft geen honger meer. Of ontbeert de puf. “Zo meteen, na afloop van de prijsuitreiking”, zegt Grunberg terwijl hij zijn petekind over de bol aait, “jij en ik, op de parkeerplaats. Dan laat ik je tandjes slikken. Dan schop ik je zo hard in je ballen dat je piepend om je lieve moedertje slist.” A.F.Th. trekt z’n jasje recht en loopt door, naar het aparte kamertje waar hij tijdens de AKO Literatuurprijsuitreiking in het gezelschap van intimi de voor deze gelegenheid georganiseerde feestelijke maaltijd zal genieten. Een apart kamertje omdat hij niet dezelfde lucht wil ademen als de man die hem in drie open brieven tot op het bot heeft beledigd, en die hem zojuist heeft uitgedaagd.

Afth

A.F.Th. toost met zijn naasten op een goede afloop.

Tijdens de uiteiking zelf lijken de wapens begraven, de vrede hersteld. Geen vuiltje aan de lucht. Ik had bedacht dat ik aanwezig moest zijn bij deze historische gebeurtenis. Dit kon nog wat worden. Dus ik was naar Apeldoorn gegaan en had mij al vroeg een beetje verdekt opgesteld in paleis ‘t Loo, op de achterste rij. Tussen Kees Jansma en Goedele Liekens door kon ik net Frederieke Spigt zien. Als ik het dreigement van Grunberg aan A.F.Th. niet had gehoord, was ik waarschijnlijk meteen na afloop, hevig teleurgesteld, huiswaarts gekeerd. Maar gelukkig kwam ik net uit de wc gelopen toen ik, wat moeizaam klooiend met de knopen van mijn broek, getuige was van de hierboven beschreven scène.

Zoals wellicht bekend won A.F.Th. met zijn boekwerk Het Schervengericht het officiële gedeelte van de avond. Waarna het eerst tijd was voor het gebruikelijke beleefdheidsdrankje en –hapje na afloop. En dat duurde en dat duurde maar. Verdomme, wat duurde dat. En wat kunnen die schrijvers en culturele bijpersonen een eind weg lullen zolang ze maar bijgevuld worden. Rond half twee ’s nachts begon Kees Jansma nog tegen me aan te ouwehoeren over een Feyenoord-Ajax ergens halverwege de jaren ’80. Totdat hij erachter kwam dat ik John Metgod helemaal niet was, mij een vuile rotmof noemde en zijns weegs ging.

Arnon

"Ik heb absoluut geen problemen met de heer Van der Heijden, integendeel." Voor de camera is de heer Grunberg zoals gewoonlijk de voorkomenheid zelve.

Maar dan was het ineens zo ver. Terwijl ik met mijn hoofd op een schaal toastjes zalm in slaap was gevallen, werd ik ineens opgeschrikt door een hevig panikerende Joost Zwagerman die, ‘ze zijn aan het vechten, ze zijn aan het vechten’ gillend, de saladetafel omver liep. Binnen tien seconde stroomde de balzaal van Paleis ’t Loo leeg. Toen ik buiten was gekomen had zich reeds een kring rond de twee vechtende kemphanen gevormd. Onder luide aanmoediging van met name Rita Verdonk, circelden A.F.Th. en Grunberg als twee latino’s met vlindermessen om elkaar heen, hun armen wijd, wachtend op wie het eerst de aanval zou inzetten. A.F.Th. had zijn jasje uitgedaan, Grunberg had zijn inmiddels vredig slapende petekind in een dekentje gewikkeld op de trap van huize ’t Loo gelegd.

“Jij geesteszieke hond”, zegt Grunberg op een toon alsof hij bij de bakker een sausijzenbroodje bestelt, “als ik met je klaar ben, zou je willen dat je nooit geboren was. Dat je moeder abortus had gepleegd, A.F.Th. Hoor je me. Je hebt de verkeerde gekozen om het gevecht mee aan te gaan. Hoor je me, A.F.Th. De rest van je miserabele leven kun je je geliefde roereieren alleen nog maar via een slangetje nuttigen, A.F.Th.” A.F.Th. zegt niks. Hij kijkt alleen. Zijn bloeddoorlopen ogen vlammen haat.

Zwagerman bleef ook niet ongeschonden.

Ook een innocent bystander als Joost Zwagerman moet het ontgelden. Botte pech, zullen we het maar noemen.

Een minuut of vijf duurde dit voorspel als ineens, uit het niets, Arnon Grunberg naar beneden bukt, een handvol grind pakt en dit in het gezicht van A.F.Th. gooit. Een oerkreet klinkt boven de aanmoedigingen uit. Grunberg stort zich met al zijn kracht op de 150 kilo schrijver tegenover hem. Op goed geluk gooit A.F.Th. zijn arm vooruit, die vol de kaak van Grunberg treft, uit wie voor de tweede keer in zeer korte tijd, een oerkeet ontsnapt, zij het dit keer doortrokken van pijn en genot. A.F.Th. klopt het grind van zijn overhemd af terwijl hij op Grunberg afloopt, die op de grond kruipend op zoek is naar zijn brilletje. Voordat hij die gevonden heeft, merkt hij hoe A.F.Th. hem aan zijn krullen omhoog trekt en diens knie in Grunbergs rug legt. “Vuile hond”, hoor ik Grunberg zeggen op een toon die doet vermoeden dat hij de belastingdienst aan de lijn heeft om hulp te vragen bij zijn aangifte. Armen maken hulpeloze zwembewegingen in de lucht. “Wat had je nou”, sist A.F.Th., “praatjesmaker, wat had je nou?”

Op het moment dat A.F.Th.’s zijn rechterarm naar achteren doet om de genadeklap uit te delen, loopt Joost Zwagerman ertegenaan. Hij wilde voorkomen dat er ‘dooien zouden vallen’, zou hij later aan een journalist van de Gelderlander verklaren. “Mijn ogen”, gilt Zwagerman, “mijn prachtige ogen!” Uit zijn concentratie gehaald door deze onverwachte wending, verslapt de greep waarin A.F.Th. Grunberg houdt. Grunberg aarzelt niet, draait zich om, grijpt A.F.Th. bij zijn nek en bijt hem in het oor, gevolgd door een korte hoek tegen het linkeroog. A.F.Th. rolt van Grunberg af als een walrus van een rots. Grunberg springt erop, pakt A.F.Th. bij zijn haren en begint voluit te meppen op het linkeroog. De doffe klappen op het oog van A.F.Th. worden enkel begeleid door het hoge gehuil van Zwagerman. De rest van de omstanders zijn om een of andere reden muisstil.

Afth in elkaar gemept.

A.F.Th., na afloop.

Met zijn rechterarm probeert A.F.Th. Grunberg van zich af te houden. Een poging die hij staakt als Grunberg hem voluit in zijn wijs- en middenvinger bijt. De pijn die dit veroorzaakt lijkt ervoor te zorgen dat A.F.Th. een tot voor kort onontdekt reservaat aan kracht kan aanspreken. Met een welgemikte knie zorgde A.F.Th. ervoor dat Grunberg voor het eerst in zijn leven de hoge C weet te halen. De langgerekte o die Grunberg uitschreeuwt wordt gesmoord door de rechtervuist van A.F.Th. Het hoofd van Grunberg tolt op zijn nek, zijn tanden vliegen door de lucht, zo op de schoenen van Robert ten Brink. Met zijn handen in zijn edele delen probeert Grunberg zich te herinneren hoe een mens ook al weer ademt. Piepend, in elkaar gekrompen, kruipt Grunberg over het grindpad, richting zijn petekind.

Grunberg met bloedlip

Arnon Grunberg, na afloop. Zonder tanden, maar met nieuwe bril.

“Het is volbracht”, brengt hij nauwelijks hoorbaar uit. Hij pakt zijn slapende petekind op, wikkelt die om zijn borst en strompelt naar binnen. A.F.Th. laat zich omhoog helpen door zijn uitgever en twee van zijn redacteuren. Met zijn drieën steunen ze de Grote Schrijver in zijn zegetocht naar binnen, waar Zwagerman reeds gestrekt op de bank ligt met een biefstuk op zijn oog.