43_ned80.jpg
Peinzend over de identiteit van de Nederlandse gebouwde omgeving kwamen bij mij geen theoretische verhandelingen of spraakmakende architecten naar boven. Nee, eerder een sentiment, een Nederlands sentiment. Ik voelde dat dit was wat ik bedoelde met de Nederlandse Identiteit en haar Bouwkunst. Ik besloot puur en alleen om mij heen te kijken, de architectuurgeschiedenis negerend. Tot mijn verbazing zag ik de zaken zeer helder. Ik zag een ontwikkeling, of liever gezegd een continuïteit in de vaderlandse bouwkunst.

Wat ik zag, is niet hetgeen wat je meteen opvalt als je de gebouwen om je heen bekijkt. Indien men, net als ik, in een grote stad in Nederland woont met een gevarieerd aanbod tussen oude en nieuwe gebouwen, ervaart men deze continuïteit nauwelijks. In ieder geval niet bewust. Men staat er niet bij stil maar de gebouwen die wij zo voor lief nemen zijn reflecties van onze identiteit.

Hoezo? vraagt een kritische Hollandse noot. Fronsend kijk je naar je beeldscherm; "Wat bedoel je nu eigenlijk?". Geheel terecht natuurlijk, dit bevestigt je kritische blik en je mogelijkheid tot rationele analyse. Welnu. In een klein historisch overzicht van de bouwkunst wil ik datgene proberen te vangen wat uniek is aan onze gebouwde wereld, namelijk de soberheid.

Alvorens in clichés te vervallen probeer ik een kanttekening te plaatsen bij de laatste kwart van de 20e eeuw. Deze periode is wat mij betreft een stuk minder eenduidig te benoemen dan de voorgaande, simpelweg omdat de tijd ons het nog niet heeft geleerd. De tijd zal het leren, en dat heeft de tijd de afgelopen eeuwen gedaan.

17e eeuw

Rijke gevels, kleine ruitjes.Laten we beginnen bij de wellustige verrijkingen van de Nederlanden in de tweede helft van de 17e eeuw. Deze Gouden Eeuw bracht Nederland (lees:Holland) en met name Amsterdam tot grote rijkdom. Lopend over de Amsterdamse grachten is daar nu nog het resultaat van te zien. Als we iets dieper op de Amsterdamse grachtengordel ingaan zijn er 2 interessante ontdekkingen te doen. De eerste ontdekking ontlenen we aan het werk van de Amsterdamse architect A.A. Kok en zijn zoon. Deze restauratie-architect heeft een groot deel van zijn leven gespendeerd aan het restaureren en reconstrueren van de versoberde 19e eeuwse grachtenpanden tot de weldadige paleizen van de adel van weleer. In de 18e en 19e eeuw zijn veel rijke details van de 17e eeuwse grachtenpanden verloren gegaan aan economisch achteruitgang. Monumentale trapportalen werden vervangen door relatief bescheiden voordeurtjes.

De tweede observatie is eigenlijk op basis van een vergelijking tussen de 'originele' 17e eeuwse gevels in Amsterdam en de gevels van hun tijdgenoten in steden als Parijs, Rome of Londen. Wat men dan ziet is dat zelfs de rijk gedecoreerde grachtenpanden er bekaaid vanaf komen vergeleken met hun buitenlandse collega's. Zelfs in het relatief dichtbijgelegen Antwerpen (of Gent, Brugge), dat toen nog onderdeel van de Nederlanden was en ten gunste van Amsterdam zijn voorrangspositie verloor op de wereldmarkt, laten de gevels een veelvoud aan ornamentiek en verscheidenheid zien ten opzichte van de Amsterdamse gevels.

18e eeuw

De échte versobering zet in. De 18e eeuw is wat je zegt een kuteeuw voor Nederland en zijn welvaart en de bouwkunde hangt daarmee samen. De mogelijkheden tot ontdekkingen op het scherpst van de snede worden erg ingeperkt door de welvaart op een gegeven moment en plaats in de geschiedenis. Nieuw gebouwde landhuizen zijn als afgeknotte wilgen vergeleken met hun 17e eeuwse collega's. Het metselwerk wordt niet meer bepleisterd, maar is 'schoon' gelaten. De details zijn gereduceerd tot kleine variaties in de daktrim en weldadige ornamenten blijven achterwege.


Oud Amelisweerd, Calvinistische uitbundigheid

Dat de Nederlandse adel hier wel mee kon leven is een teken van de onverschilligheid van de Nederlanders, waar bij hen dat zo geliefde ornament wel gestolen kon worden. Adellijke huizen in andere landen stortten door economische malaise veel sneller in als het kaartenhuis dat het eigenlijk is. Niet de Nederlandse nee, zij passen zich aan aan de situatie in plaats van krampachtig hun omgeving blijven proberen te veranderen.

19e eeuw

De 18e eeuwse ontwikkeling heeft navolging in de 19e eeuw. De Industriële Revolutie zal in Nederland pas aan het eind van de 19e eeuw echt doorgang vinden, voor die tijd bleef Nederland toch het achterlijke broertje van Europa, waar in feite niets belangwekkends gebeurde. Maar toen was daar PJH Cuypers, katholieke rat én architect. Cuypers kwam uit Roermond en werd in het begin van zijn carriere vooral in Limburg en Brabant ingezet om kerken en kapelletjes te verbouwen of restaureren. Zijn bekendste werken, het Rijksmuseum en Centraal Station te Amsterdam, kwam pas nadat hij naar het Westen werd gehaald door zijn 2 kameraden, Joseph Alberdinck Thijm en Victor de Stuers. Voor die tijd stond Cuypers bekend als katholieke kerkenbouwer, waar hij er in totaal 75 van heeft gebouwd. Het werk dat Cuypers toen bouwde beschouwen we nu voor een groot deel als onderdeel van de Neo-Gotiek, één van de meest succesvolle neo-stijlen in Nederland. Internationaal gezien stond hij echter in de schaduw van Viollet-le-Duc, een talentvolle Franse architect (Entretiens sur l"Architecture) die niet vies was van wat experimenten met gietijzer en gotiek.


Viollet-le-Duc eperimenteerde met gietijzer in gotische proporties. Zo ook de entree van dit concertgebouw.

Wanneer men de werken van Cuypers en andere architecten van de neo-stijlen in de 19e eeuw beschouwd, komt men eveneens tot de ontdekking dat de Nederlandse bouwkunst een uitgekleed karakter heeft ten opzichte van de andere Europese architecten. Een op Europees niveau belangrijke en invloedrijke stijlvorm als de Art Nouveau en haar Duitse evenknie Jugendstil krijgt in Nederland minder navolging dan in de ons omringende landen. Art Nouveau stad nummer 1 in Nederland, Den Haag, is een slap aftreksel vergeleken met Brussel of Keulen. De abstrahering zet in en wordt onderdeel van een esthetiek die zich met name in het begin van de 20e eeuw manifesteert als een vaderlands eigen export product.

20e eeuw

De abstractie van de natuur komt in begin van de 20e eeuw tot een hoogtepunt. De compositorische vlakverdeling van Mondriaan, van Doesburg, Rietveld en Dudok is het gevolg van een continuïteit dat al langer in de Nederlandse ziel gehuisvest was. De sublieme apotheose van een versoberde bouwkunst die het ornament heeft afgezworen en het steriele als esthetisch uitgangpunt heeft genomen. Minimale details, strakke horizontale lijnen, de bouwkunst volgt De Stijl op de voet en ontwikkeld zich in een internationale beweging toepasselijkerwijs De Internationale Stijl genoemd. Vlaggendrager van het Modernisme, Le Corbusier gaat met de eer strijken en roept zichzelf uit tot God van deze nieuwe beweging. Weer moeten de Nederlanders afhaken, zelfs wanneer zij zelf een ontwikkeling in gang hebben gezet, en moeten zij gelaten aanzien hoe Le Corbusier en Bauhaus hun edele principes verknallen.


Het Nieuwe Bouwen in Nederland: Huis Sonneveld door Brinkman & van der Vlugt

Tot aan de jaren '60 van de 20e eeuw zien we deze zelfde continuïteit. De jaren '50 zijn misschien wel hét toonbeeld van de versoberde bouwkunst, deels door de economische wederopbouw na WOII. De verregaande modernisering in de architectuur gaat Nederland voorbij, totdat de welvaart wederkeert eind jaren '60. De gedroomde prachtwijken als de Bijlmermeer, Ommoord (R'dam) en de Alexanderpolder komen tot stand en schieten eigenlijk voor het eerst weer voorbij aan de aloude versoberingstraditie. Vanaf dat moment worden de verschillen tussen de architectuur in binnen en buitenland steeds waziger. Zoals ik in het begin al verdisconteerde is deze laatste helft van de 20e eeuw moeilijker in te delen omdat deze nog vrij jong is. De tijd is nog niet rijp om te kunnen zeggen of de werken van Koolhaas, Ben van Berkel, MVRDV, Wiel Arets, en Mecanoo binnen deze traditie vallen of juist ermee breken. De on-Nederlandse werken van Sjoerd Soeters bijvoorbeeld lijken alle soberheidsregels aan hun laars te lappen, maar wellicht blijkt over 20 á 30 jaar dat dit toch allemaal in de 'VOC-mentaliteit' van onze zo geliefde architectuur heeft gepast.

Desondanks bestaat een Nederlandse identiteit bij de gratie van de identiteit van haar individuen, haar gebouwen incluis. Het krampachtig 'verstijlen' van de architectuur heeft voor een groot deel geen rekening gehouden met de 'andere' architectuur die de archiectuurboeken niet hebben gehaald. De individuele uitwassen zijn daarin niet meegenomen, mede ook omdat dat het debat over architectuur zou verstoren of in ieder geval ernstig vertragen.

Dus kan men uit de Nederlandse Architectuur afleiden dat er een Nederlandse Identiteit bestaat? Misschien wel. Ik zie graag dat de zogenaamde continuïteit die ik zogezegd heb gevonden voor een groot deel met de werkelijkheid strookt, maar ik ben mij bewust van mijn tekortkomingen op het gebied van inzicht in het totaalplaatje van de geschiedenis en haar bouwkunst. Heeft Nederland een Identieit? Ik geloof van wel, omdat ik nu eenmaal graag in mezelf geloof.